Het Turkije Instituut is sinds eind 2015 gesloten. Aanleiding tot dit besluit was het gebrek aan perspectief op nieuwe fondsen, mede in het licht van de ontwikkelingen in Turkije. De website (turkije-instituut.nl) is nog wel toegankelijk als informatiebron. Hierdoor zal althans een deel van de expertise die in de afgelopen acht jaar is opgebouwd behouden blijven.

Wat is genocide?

Was het wel of geen genocide? Die vraag staat centraal in de discussie over de Armeense kwestie. Maar wat is genocide eigenlijk precies en waarom is het gebruik van de term zo beladen?

Het begrip genocide werd in 1944 gemunt door de Poolse jurist Raphael Lemkin. Hij vroeg zich af waarom een individuele moord volgens internationaal geldend recht als misdaad werd bestempeld, maar het organiseren en aanzetten tot een massamoord zoals op de Armeense bevolking of de Europese joden, niet. Lemkin droeg bij aan de uiteindelijke totstandkoming van het Verdrag inzake de Voorkoming en de Bestraffing van Genocide van de Verenigde Naties (VN-genocideverdrag), dat in december 1948 door de Algemene Vergadering werd aangenomen. De belangrijkste verworvenheid van het verdrag is de definitie van genocide:

Artikel II

In dit Verdrag wordt onder genocide verstaan een van de volgende handelingen, gepleegd met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen:
(a) het doden van leden van de groep;
(b) het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep;
(c) het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging;
(d) het nemen van maatregelen, bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen;
(e) het gewelddadig overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep.’

Deze juridische definitie van genocide wordt internationaal geaccepteerd en gehanteerd. Opvallend is de zinsnede ‘gepleegd met de bedoeling’: de intentie om een specifieke groep uit te roeien is de crux van de definitie. Immers, hoe toon je aan dat misdrijven tegen de menselijkheid de achterliggende bedoeling hadden om een specifieke groep uit te roeien. In het geval van de Holocaust is dat een uitgemaakte zaak, maar meestal zijn daders, verantwoordelijken en achterliggende intentie veel moeilijker te bepalen.

Het is niet verwonderlijk dat Turkije zich teweer stelt tegen het label genocide: de associatie met het naziregime en de Holocaust ligt voor de hand. Bovendien heerst de angst dat erkenning van genocide zal leiden tot compensatieclaims van Armeniërs, al zouden die op grond van het Genocideverdrag onhoudbaar zijn – dergelijke bepalingen van het verdrag zijn niet van toepassing op gebeurtenissen van vóór 1948. Turken wijzen op hun beurt vaak op de etnische zuiveringen die koloniale mogendheden in de negentiende en begin twintigste eeuw uitvoerden. Het feit dat het VN-genocideverdrag uit 1948 stamt, wordt bovendien vaak opgeworpen als bezwaar tegen de toepasbaarheid van zo’n moderne definitie op de gebeurtenissen van 1915-16.