Het Turkije Instituut is sinds eind 2015 gesloten. Aanleiding tot dit besluit was het gebrek aan perspectief op nieuwe fondsen, mede in het licht van de ontwikkelingen in Turkije. De website (turkije-instituut.nl) is nog wel toegankelijk als informatiebron. Hierdoor zal althans een deel van de expertise die in de afgelopen acht jaar is opgebouwd behouden blijven.

Het Turkse standpunt over de Armeense kwestie

De Turkse staat ontkent dat er in 1915 een genocide heeft plaatsgevonden. Hij bestrijdt de toepasbaarheid van het begrip genocide en relativeert de gebeurtenissen. Het was oorlog en er vielen veel slachtoffers door gewapende strijd, honger en ziektes: Armeniërs, maar nog veel meer Turken en andere moslims. De kwestie wordt consequent aangeduid als de ‘zogenaamde genocide’ of er wordt verwezen naar ‘de Armeense beschuldigingen’. Op de Engelstalige websites van een aantal Turkse ministeries wordt uitvoerig aandacht besteed aan de Armeense kwestie, en zijn talloze publicaties en bronnen te vinden die het Turkse standpunt bestendigen. In sommige van dergelijke overheidspublicaties wordt de kwestie omgedraaid: het was een genocide op Osmaanse Turken gepleegd door Armeniërs.

Sinds een aantal jaar benadrukt de Turkse regering dat de Armeense kwestie niet op de (internationale) politieke agenda thuishoort, en dat verder historisch onderzoek naar de 'gebeurtenissen van 1915' nodig is. Zo stelde premier Erdoğan in april 2005 voor een gezamenlijk Turks-Armeense commissie in te stellen om de gebeurtenissen tijdens WOI te onderzoeken – een voorstel waar de Armeense regering tot op heden niet op is ingegaan. Of een dergelijke commissie zal worden opgericht nu (in april 2009) Turkije en Armenie zich officieel hebben gecommiteerd aan een verzoeningsproces, is nog onduidelijk.

Nationale geschiedenis
Het ontkennen van de Armeense genocide is een van de fundamenten waarop de in Turkije dominante visie op de nationale geschiedenis berust. In de periode 1914-1923 ligt de nadruk op de nationale onafhankelijkheidsstrijd direct na WOI en de stichting van de Republiek Turkije in 1923. Daarin is geen plaats voor opvattingen over de deportatie van Armeniërs die de helden van die periode in een kwaad daglicht stellen en tornen aan de fundamenten van de Turkse nationale identiteit.  Bovendien bekleedden nogal wat mensen die direct bij de vervolgingen betrokken waren geweest in die vroege periode (tot de jaren ’40) invloedrijke functies.

De officiële lezing van de gebeurtenissen is dat Armeniërs heulden met vijand Rusland en een gevaar binnen de grenzen van het Rijk vormden. Volgens deze lezing konden de Osmaanse leiders niet anders dan zich hiertegen teweer stellen en besloten zij derhalve tot de ‘relocatie’ van een gehele bevolkingsgroep. Of deze bedreiging reëel was, is onderwerp van controverse. Dat de toenmalige Osmaanse leiders Armeens nationalistisch verzet als dreiging ervoeren is, gezien de negentiende-eeuwse geschiedenis van het Osmaanse Rijk, wel begrijpelijk. Het Osmaanse Rijk was in de loop van de negentiende eeuw immers aanzienlijk in verval geraakt en zijn gezag verzwakt, als gevolg van dreigingen van buitenaf (imperialistische grootmachten) en van binnenuit (toenemend nationalisme onder minderheden).

Overigens was er tot de jaren ’60 geen sprake van een systematische ontkenning van de moord op de Armeniërs; tot die tijd zweeg de Turkse overheid in alle toonaarden over de kwestie. Rond 1965 echter, 50 jaar na de deportaties en massamoorden, trad de kwestie op de voorgrond. Toen begonnen Armeense activisten, met name uit de Diaspora-gemeenschap, te ijveren voor erkenning van de genocide. In de periode 1973-1985 pleegden verschillende terroristische groepen, waaronder de Armenian Secret  Army for the Liberation of Armenia (ASALA), aanslagen op Turkse doelen en vermoordden zeker 30 Turkse diplomaten. Hoewel internationaal veroordeeld, brachten de aanslagen de Armeense kwestie onder de aandacht van de internationale media en publieke opinie. Vanaf die tijd nam de doelbewuste genocideontkenning van officiële Turkse zijde steeds duidelijker vormen aan.

Openlijk de officiële lezing van de Turkse geschiedenis in twijfel trekken wordt niet gewaardeerd. Diverse journalisten en schrijvers (onder wie Orhan Pamuk) die over (de mogelijkheid van) genocide spraken of schreven, zijn aangeklaagd op grond van artikel 301 van het wetboek van strafrecht. Dat artikel stelt belediging van Turkije en de Turkse nationale identiteit strafbaar - iedere Turk kan zich daarop beroepen om iemand aan te klagen. Al leiden die aanklachten meestal niet tot een veroordeling, het geeft wel weer hoe verdeeld de Turkse samenleving is over de kwestie.

Desalniettemin wordt het taboe op de genocidekwestie in Turkije langzamerhand geslecht. In september 2005 vond in Istanbul een wetenschappelijke conferentie plaats over Osmaanse Armeniërs. Hoewel de bijeenkomst op veel verzet stuitte onder Turkse nationalisten, heeft ze de discussie over de pijnlijke geschiedenis aangezwengeld. De behoefte aan informatie, discussie en dialoog met de buren neemt toe. In december 2008 opende een groep Turkse intellectuelen een online petitie waarin zij hun verontschuldigingen aanboden voor de 'Grote Catastrofe van 1915', wat tot een hevige controverse leidde in de Turkse publieke opinie.

De Armeense kwestie wordt in Turkije weliswaar langzamerhand bespreekbaar, maar binnen strikte grenzen en niet in de laatste plaats onder druk van buitenaf, met name door de EU.