Het Turkije Instituut is sinds eind 2015 gesloten. Aanleiding tot dit besluit was het gebrek aan perspectief op nieuwe fondsen, mede in het licht van de ontwikkelingen in Turkije. De website (turkije-instituut.nl) is nog wel toegankelijk als informatiebron. Hierdoor zal althans een deel van de expertise die in de afgelopen acht jaar is opgebouwd behouden blijven.

Erdoğan: twintig jaar na de eerste verkiezingsoverwinning

25 maart 2014 - Op 27 maart 2014 is het precies twintig jaar geleden dat Recep Tayyip Erdoğan gekozen werd als burgemeester van Istanbul. In de lokale verkiezingen van maart 1994 werd hij met 25% van de uitgebrachte stemmen tot verrassing van velen en niet in de laatste plaats zijn eigen partij, de Refah Partisi (de Welzijnspartij), gekozen tot burgemeester van Istanbul. Erdoğan was toen net veertig geworden, een voor Turkse begrippen jonge man om voor deze positie gekozen te worden.

Een van de meest omstreden punten in zijn campagne was zijn belofte de bars en restaurants in Beyoğlu, die zonder vergunning alcohol serveerden, te sluiten. In Ankara werd dezelfde dag zijn partijgenoot Melih Gökçek gekozen, die nu in 2014 opnieuw of beter gezegd, nog steeds in de race is.

Erdoğan heeft als burgemeester een goede reputatie opgebouwd. De corruptie, waar de stad zoals heel Turkije onder leed, werd effectief bestreden. Met name op het gebied van het verkeer (zowel auto als openbaar vervoer) leidde zijn beleid tot verbeteringen. Zijn belofte tot het sluiten van vergunningloze cafés kwam hij na.

Het burgemeesterschap van Erdoğan was van korte duur: in 1998 werd hij veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf wegens het aanzetten tot haat, door het citeren van een gedicht met de strofe: “de minaretten onze bajonetten, de koepels onze helmen, de moskeeën onze kazernes en de gelovigen onze soldaten zijn”. Hij trad na zijn veroordeling af, maar werd na ontslag uit de gevangenis opnieuw politiek actief. In 2001 richtte hij met o.a. Abdullah Gül de Adelet ve Kalkınma Partisi (AKP)op. Zijn oude partij, de Refah Partisi was inmiddels ontbonden door het Constitionele Hof.  

Premierschap 2003-tot heden

Met de verkiezingen in november 2002 behaalde de nieuwe partij in één klap 34% van de stemmen en daarmee 2/3 van de zetels in het parlement. Vanwege zijn veroordeling kon Erdoğan pas in februari 2003 het premierschap op zich nemen. Gül had dat voor hem waargenomen en werd in het eerste kabinet-Erdoğan Minister van Buitenlandse Zaken.

Zijn politieke succes in de eerste jaren had hij voor een belangrijk deel te danken aan de comfortabele machtspositie van de AKP, die met slechts 34% van de stemmen toch over een meerderheid van 363 van de 550 zetels beschikte. Met die meerderheid kon de AKP in korte tijd een grote hoeveelheid hervormingspakketten aangenomen krijgen. Die hervormingen waren gericht op toenadering tot Europa. Daarbij werd vooral tegemoetgekomen aan één van de eisen van de Europese Commissie: het terugdringen van de dominante positie van het leger. Op dat terrein vertoonde de regering-Erdoğan veel daadkracht. Van doorvoering van een ‘islamitische agenda’, iets waar zijn politieke tegenstanders voor waarschuwden, leek geen sprake. 

Economisch gezien ging het Turkije in deze periode zeer voor de wind. Met een gemiddeld groeipercentage van ruim 6% in de periode 2002-2008 maakte Turkije een modernisering door op het gebied van woningbouw, infrastructuur en gezondheidszorg, die respect afdwong. De verkiezingen van juli 2007 werden door de AKP dan ook overtuigend gewonnen (met 46.6% van de stemmen). Mede hierdoor slaagde de AKP er in om hun kandidaat voor het Presidentschap, Abdullah Gül, door het Parlement te laten kiezen, hetgeen overigens pas gebeurde in de derde ronde, toen er nog slechts een meerderheid van 51% was verreist. 

In de jaren daarna werd de binnenlandse politiek in Turkije gedomineerd door het Ergenekon-proces, waarbij (oud-) militairen, academici en journalisten terecht stonden wegens beschuldigingen van samenzwering en het voorbereiden van coups. De soms opmerkelijke rechtsgang (verdachten zaten lang vast zonder duidelijke tenlastelegging, bewijsmateriaal was niet in alle gevallen eenduidig) lokte binnen en buiten Turkije kritiek uit. Het proces en alles daar om heen zou uiteindelijk de definitieve nekslag voor de machtspositie van de strijdkrachten zijn. Zelfs de door Erdoğan voorgedragen en door Gül benoemde stafchef Ilker Başbuğ (2008-2010) werd in augustus 2013 veroordeeld (en in februari 2014 tot genoegen van Erdoğan weer vrijgelaten). Tot genoegen, omdat zijn voormalige bondgenoten, de aanhangers van de geestelijke Fetullah Gülen, die een cruciale rol hadden gespeeld in het Ergenekon-proces, inmiddels in ongenade bij de AKP waren gevallen.

Politiek liep het in de derde ambtstermijn minder soepel. Ofschoon de AKP wederom een royale meerderheid in het Turkse parlement had (59% van de zetels) stagneerden de hervormingen. De economisch groei vlakte enigszins af maar na 2009 deed Turkije het nog steeds aanzienlijk beter dan de gemiddelde lidstaat van de EU. Op twee fronten – binnen- en buitenland – lagen de mijnenvelden echter te wachten. Misschien wel de meest in het oog springend was de toenemende polarisatie en politisering in het binnenland als gevolg van zijn stijl en optreden, waardoor hij grote groepen van zich vervreemdde. Dit effect was vooral zichtbaar na de monsterzege in 2011, toen de AKP bijna 50% van de stemmen achter zich kreeg. Veel seculier georiënteerde Turken vonden zijn inmenging in levensstijlen te ver gaan. Zij vreesden de autoritaire stijl van de premier, wiens retoriek buitengewoon fel kan zijn. Een en ander droeg bij aan de verdere polarisatie in het land.

Daar kwamen in december 2013 nog de beschuldigingen van corruptie bij. Die waren gericht aan vier van zijn ministers, hun zonen en uiteindelijk ook aan zijn eigen adres en dat van zijn zoon Bilal. Dit corruptieschandaal leidde vanuit de AKP tot een scherpe aanval op rechterlijke macht en het politieapparaat, vanwege het vermoeden dat deze instituties waren geïnfiltreerd door de aanhangers van Fetullah Gülen. In hoog tempo escaleerde de verhoudingen met deze Fetullahci’s die hem eerder aan de meerderheid hadden geholpen. De verdeeldheid in de Turkse politiek is sindsdien alleen maar verder toegenomen.

2014-2015: drie verkiezingen

Aan de vooravond van de lokale verkiezingen (30 maart 2014) heeft Erdoğan nog steeds de volledige steun van zijn conservatieve aanhang, maar is het onduidelijk wat de naar schatting 10-15% van zijn kiezers met affiniteit met de Fetullah Gülen-beweging zullen gaan doen. Veel alternatieven kent de Turkse politiek niet. Naar verluidt zouden de leden van het Cemaat/Hizmet beweging het advies hebben gekregen om in steden waar de MHP (nationalistische partij) sterk is voor die kandidaat te stemmen (b.v. steden als Adana en Fethiye) en op de CHP (de seculiere, republikeinse partij) in steden waar deze partij traditioneel het sterkst is, met Izmir voorop.

Van groot belang is ook wat de kiezers in het zuidoosten, de Koerdische regio zullen doen. Daar wordt doorgaans ‘collectief’ gestemd, dat wil zeggen dat hele dorpen en soms ook steden, door de ağa’s, de stamhoofden, hun keuze laten bepalen.

Voor hen zijn de onderhandelingen tussen de PKK en de regering van groot belang. Sinds het aantreden van Erdoğan zijn er verschillende initiatieven geweest om het al decennia slepende conflict met de Koerden, dat inmiddels aan ruim 40.000 mensen het leven heeft gekost, tot een vreedzame oplossing te brengen. Lange tijd gebeurde dat echter met een halfslachtigheid die de zaak alleen maar verergerde. Pas in 2013 werd begonnen met openlijke onderhandelingen met de PKK, waarvoor de premier de verantwoordelijkheid in eigen hand nam.  De laatste lokale verkiezingen bleken voor de voorloper van de pro-Koerdische BDP, de DTP succesvol, muv Bitlis, stemden de Koerdische provincies massaal voor de DTP, in tegenstelling tot 2004, toen de AKP als grootste partij uit de bus kwam in de regio.  Naar verwachting zal de BDP zijn positie handhaven, ofschoon ook de opkomst van de aan Hizbollah gelieerde nieuwe Hüda Par niet uitgesloten kan worden.

Omdat er nog zoveel zwevende kiezers zijn, is de betrouwbaarheid van de peilingen niet erg groot. Grote vraag bij dit alles is of de veronderstelde daling in de populariteit van de premier zich vertaalt in een verlies van de grote steden. Izmir, nu nog in handen van de CHP blijft dat vermoedelijk. Istanbul wordt sinds 2004 gerund door Kadir Topbaş van de AKP en over hem is men in het algemeen tevreden. Zijn uitdager van de CHP is Mustafa Sarigül, nu burgemeester van de deelgemeente Şişli, een oversneden populist. Waarschijnlijk net niet overtuigend genoeg om een echt probleem te vormen voor de populaire Topbaş. Ankara is sinds 2004 in handen van de AKP, in de persoon van Melih Gökçek, onder meer bekend om zijn scherpe tweets. Een politicus die zijn mening niet onder stoelen of banken steekt, in tegenstelling tot bijvoorbeeld zijn collega Topbaş die meer het type burgervader vertegenwoordigt. Gökçek liet tijdens de Gezi-protesten in mei-juli 2013 geen mogelijkheid onbenut om zijn ongenoegen over de demonstranten te uiten. Licht xenofobisch schroomt hij ook niet om samenzweringsmodellen, gelinkt aan buitenlandse partijen, van stal te halen. In de Turkse pers wordt het vermoeden geuit dat hij sterk leunt op kiezers uit de Fetullah Gülen hoek. Die zouden het advies hebben gekregen om te stemmen op de kandidaat van de CHP, de voormalige MHP politicus Mansur Yavaş.

Tegen deze achtergrond voert Tayyip Erdoğan een campagne alsof zijn eigen herverkiezing op het spel staat. Maar dat is niet zo. Hoewel het onduidelijk is wat voor consequenties de premier zal verbinden bij een eventueel verlies van de partij, staan voor Erdoğan in feite alle opties nog open. Is de steun voor de AKP lager dan 38,8% (percentage van de lokale verkiezingen in 2009) dan wordt dat door de partij als verlies beschouwd. Eerder gaf Erdoğan aan dat hij bij een dergelijk ‘verlies’ opnieuw zal kandideren als partijleider om er voor te zorgen dat de AKP in ieder geval de nationale verkiezingen van 2015 zal winnen. Daarvoor zullen wel de interne statuten van de AKP moeten worden herzien, die staan maar drie termijnen toe. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat Erdoğan zich kandidaat stelt voor de presidentsverkiezingen van deze zomer. Een minder aantrekkelijk alternatief, omdat het hem niet is gelukt een presidentieel systeem door te voeren. Bij een eventueel groter verlies en tegen de achtergrond van de aanhoudende onrust in het land zou het theoretisch denkbaar zijn dat de partij een andere kandidaat naar voren schuift. Maar zo werkt het niet in Turkije. Erdoğan heeft dus nog niet zoveel te vrezen, zolang hij zijn kernaanhang tevreden weet te stellen. Bovendien weten zij, de naar schatting 30-40% van de Turkse kiezers, dat als hij het veld moet ruimen, er niemand is die zo krachtig en effectief voor hun belangen op zal komen. Dat is de basis van zijn populariteit en daar doet dus een twitter-verbod helemaal niets aan af.

Blogs

Turkije Instituut sluit zijn deuren
Turkije Instituut sluit zijn deuren
Nieuw Turks kabinet, Turkse rechtsstaat verder onder druk
Turkije haalt Russisch vliegtuig neer, internationale coalitie tegen Daesh/IS lijkt te klappen
Turkije haalt Russisch vliegtuig neer, internationale coalitie tegen Daesh/IS lijkt te klappen
Voortgangsrapport 2015: EU tikt Turkije op de vingers
Voortgangsrapport 2015: EU tikt Turkije op de vingers
Voortgangsrapport 2015: EU tikt Turkije op de vingers
Voortgangsrapport 2015: EU tikt Turkije op de vingers
Voortgangsrapport 2015: EU tikt Turkije op de vingers
Aan het roer: de grondwet en de economie als AKP's hoofdpijndossiers
Aan het roer: de grondwet en de economie als AKP's hoofdpijndossiers
Aan het roer: de grondwet en de economie als AKP's hoofdpijndossiers
Aan het roer: de grondwet en de economie als AKP's hoofdpijndossiers
Aan het roer: de grondwet en de economie als AKP's hoofdpijndossiers
Lees meer...